Tijdens de stageweken van de pabo, begin november, sprak ik Christel*, een student. Ze was helemaal happy in haar stageklas en liet dat ook blijken: “Riaan, ik kan zo genieten van die kinderen. Ze staan zo onbevangen in de wereld en willen van alles ontdekken. Ik geef ze een vinger en ze pakken mijn hele hand, geweldig.” Haar mentor, de juf  in de klas vond ze ‘een schat van een mens’, waarvan ze, ondanks haar vele eerdere stages, veel kon leren. “Ze is zo lief voor die kinderen en helpt ze bij alles, ze kijkt naar de kinderen en weet precies waar kinderen extra aandacht nodig hebben om mee te kunnen komen met het niveau in de klas”.

Wat bedoelt Christel met ‘mee kunnen komen met het niveau van de klas’?
Hoe gaat deze mentor om met kinderen die boven ‘het gemiddelde klasseniveau’ zitten?

Christel liet de kinderen hun activiteiten uitvoeren en evalueerde deze aan het eind met hen. Het nagesprek ging eerst vooral over de hoe de les ging en later meer over de totale stage. Toen we het werkplekassessment invulden, kwamen we bij het punt ‘Kan discrepanties opmerken tussen eigen gezichtspunten en die van de mentor’. Het is een punt dat is opgenomen in het werkplekassessment om ouderejaars studenten de kans te geven zichzelf als leerkracht te worden en kansen voor hun eigen standpunten over onderwijs te geven. Het geeft studenten ook de ruimte om over onderwijs en ontwikkeling in dialoog te gaan met hun mentoren.

Christel gaf aan dat ze een behoorlijk meningsverschil had gehad met haar mentor. “Niet dat dat meningsverschil problemen oplevert in onze omgang hoor, maar er was duidelijk een verschil in ons verwachtingspatroon van kinderen”.

Wat is het verwachtingspatroon van Christel en wat van de mentor?
Wat zijn de overeenkomsten tussen die verwachtingspatronen?
Wat is de reden dat je begint over de omgang met elkaar?

Ze vertelde dat haar mentor een opdracht voor beeldende vorming had bedacht. Om ervoor te zorgen dat de “producten”  toch redelijk op elkaar zouden lijken, had de mentor de avond van tevoren tot ongeveer kwart over elf doorgewerkt, om alvast allerlei ‘ingrediënten’ te knippen en aan elkaar te plakken. Ook Christel had er aan moeten geloven en redelijk wat voorbereidingswerk moeten uitvoeren. “Natuurlijk heb ik haar geholpen,  ze zou mij ook helpen als het om mijn activiteiten ging”.

Wat beweegt deze juf om tot ’s avonds laat werk te doen wat kinderen zelf kunnen”?
Welke doelen beoogt deze juf met de uiteindelijke activiteit die ze aan kinderen aanbiedt?

Later was ze de discussie met haar mentor aangegaan. Christel was van mening dat al dat werk vooraf niet nodig was: “Dat kunnen de kinderen echt zelf wel en waar het niet lukt, helpen we ze toch gewoon een eindje verder op pad?”.  Tegenargument van de mentor was dat het werken aan het product dan langer zou duren, dat niet iedereen alles precies af had en niet alles er even netjes zou uitzien.

Wat vindt de juf belangrijk aan het identieke van al diezelfde producten?
Welke eigenschappen van die juf maken dat Christel vindt dat de juf de juiste aandacht geeft aan de kinderen? (zie de beschrijving in de eerste alinea)

Christel: “Toen vroeg ik mijn mentor wat dan het belangrijkste doel was om te werken aan dit product. Mijn mentor glimlachte, gaf niet echt een antwoord”.

Wat was de reden dat de mentor glimlachte? Vond ze het een niet zo relevante vraag, die door een pabostudent gesteld kon worden (een vraag gesteld vanuit ‘De opvliegers van de pabo’, zoals sommige leerkrachten dit noemen), was het een vraag die haar aan het denken zette?

Later mocht Christel een soortgelijke les geven. Ze deed dit op haar eigen manier.
Ik besloot in het beoordelingsgesprek met de mentor voorzichtig naar de situatie te vragen. Ze vertelde dat “Christel kent mijn kinderen zo goed, ze geeft de kinderen behoorlijk de ruimte en ik verbaas me er stiekem soms toch over dat de kinderen dan toch zoveel kunnen”.

Waarom verbaast een leerkracht met 14 jaar ervaring zich over het vele kunnen van kinderen? (verbazen over de situatie vind ik anders dan het ‘verwonderen over WAT de kinderen kunnen’?
Wat beweegt de leerkracht om Christel de ruimte te geven haar eigen manier te hanteren?

“Wat maakt dat u Christel haar eigen manier laat uitvoeren in uw klas met uw kinderen?” hoorde ik mezelf vragen. “Christel moet haar eigen stijl als juf ontdekken en het is aan mij om dat te faciliteren. Dat ik dingen anders doe, wil niet zeggen dat zij mij exact moet na doen. Ik vertrouw er helemaal op dat wat zij doet, goed komt. Ik zie dat kinderen leren van haar [maakt apostrofbewegingen met haar vingers] “juffenstijl”. Ik: “en wat is dan haar juffenstijl?”. Het blijft even stil. “Ehm…misschien staat die wel heel dicht bij mijn stijl als mentor: Het geven van vertrouwen dat het goed komt”. ‘

Reflectie:
Wat mij vooral nieuwsgierig maakte in deze situatie staat eigenlijk in grote lijnen in de vragen al beschreven. Met het pedagogische grondthema ‘autonomie’ in mijn achterhoofd ben ik deze situatie ingegaan en heb ik mezelf eigenlijk ook de verschillende vragen gesteld. De situatie geeft aan dat wanneer je autonomie wilt stimuleren bij lerenden (ongeacht kinderen of studenten), er op één of andere manier vertrouwen moet zijn bij degene die het leren faciliteert. In al mijn reflecties is duidelijk terug te lezen dat ik autonomie van belang vind. Vervolgens zet ik me redelijk stellig af tegen situaties waar die autonomie niet aan de orde is. Wat ik uit deze situatie haal is dat ik niet steeds kritisch moet blijven zijn naar ‘wat niet gebeurt’, maar dat ik juist mensen kan inspireren door bij hen te rade te gaan op welke wijze zij ‘vertrouwen’ kunnen geven aan de kinderen.

*Christel is niet de echte naam van deze student

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s